ONDERWERPEN

Een uitdaging voor natuurbeschermers

Een uitdaging voor natuurbeschermers


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

Door Mac Chapin

Hoe geld van bedrijven en de overheid naar de drie grote internationale organisaties stroomt die de World Conservation Agenda domineren. Haar programma's worden gekenmerkt door toenemende belangenconflicten en nalatige verwaarlozing van inheemse volkeren.

We verwachten dat dit artikel een open en publieke discussie op gang zal brengen over een complexe en controversiële kwestie die de afgelopen maanden achter gesloten deuren is besproken. Hoewel frisse lucht soms koude rillingen kan veroorzaken, zijn wij van mening dat geëngageerde, actieve discussie essentieel is om deze problemen op te lossen en het behoud en de bewegingen van inheemse gemeenschappen te versterken.

Een dringende oproep


In juni 2003 kwamen vertegenwoordigers van de belangrijkste stichtingen die zich zorgen maakten over bedreigingen voor de biodiversiteit van de planeet (?) In South Dakota bijeen voor een bijeenkomst van de Biodiversity Advisory Group. Na het eten kwamen enkele aanwezigen bij elkaar om een ​​probleem te bespreken waar ze zich steeds meer zorgen over maakten. In de afgelopen jaren hadden de stichtingen miljoenen dollars gedoneerd ter ondersteuning van natuurbeschermingsorganisaties zonder winstoogmerk en hadden ze zelfs een aantal van die groepen geholpen bij de lancering. Er waren nu echter aanwijzingen dat de drie grootste organisaties van het Natuurfonds (WWF), Conservation International (CI) en The Nature Conservancy (TNC), in toenemende mate inheemse en traditionele volkeren uitsluiten van hun programma's. Leven in gebieden die natuurbeschermers probeerden te beschermen (1)

In sommige gevallen waren er ook klachten dat natuurbeschermers misbruik maakten. De bijeenkomst leidde tot een reeks scherpe discussies onder leiding van Jeff Campbell van de Ford Foundation, die twee onderzoeken had gedaan: de eerste om te beoordelen wat er werkelijk gaande was tussen inheemse gemeenschappen en natuurbeschermers, en de andere om de financiële situatie van elk van hen te bekijken. van deze drie grote ngo's.

De initiële routekaart (of "Terms of Reference") die aan de onderzoekers werd gegeven, bevatte twee belangrijke observaties over de drie natuurbeschermingsreuzen: ten eerste waren ze in korte tijd kolossaal en rijk geworden; en ten tweede dat ze wereldwijde benaderingen van natuurbehoud promootten 'die aanleiding hebben gegeven tot verschillende vragen en klachten van lokale gemeenschappen, nationale ngo's en mensenrechtenactivisten.

De twee onderzoeken boden slechts een korte rondleiding door terrein dat ongetwijfeld complex, geografisch uitgestrekt en divers is (WWF is bijvoorbeeld actief in meer dan 90 landen over de hele wereld), ze begrepen dat ze algemene schetsen zouden maken die zouden kunnen helpen bij het begeleiden van discussies tussen geïnteresseerde stichtingen. De resultaten waren - althans aanvankelijk - niet bedoeld om te worden gepubliceerd.

Er waren veel mensen die op dit gebied werkten (zoals ik) of bij stichtingen die projecten op het gebied van biodiversiteit of culturele diversiteit sponsorden, die deze resultaten openbaar wilden maken. Als antropoloog die al meer dan 35 jaar met inheemse volkeren werkte (meest recentelijk als directeur van het Center for Native Lands), was ik erg geïnteresseerd en tegelijkertijd ongerust over de omstandigheden die de aanleiding waren voor de twee onderzoeken van de Ford Fundament.

De historische context

Klachten nemen al meer dan een decennium toe, parallel aan de buitengewone groei van de grootste natuurbeschermingsorganisaties. Zo werd WWF opgericht in 1961 met een klein kantoor in Zwitserland. Hun programma was beperkt tot het coördineren en inzamelen van fondsen voor de activiteiten van de International Union for Conservation of Nature (IUCN) die de programma's in het veld uitvoeren. WWF vorderde langzaam in de volgende jaren en vestigde regionale kantoren in verschillende landen van het industriële noorden. Derdewereldlanden zijn niet meegerekend. Ondanks de uitbreiding bleef WWF de eerste twee decennia een kleine organisatie. Eind jaren zeventig was de WWF-vestiging in de VS bijvoorbeeld relatief klein en organiseerde hij zich in Dupont Circle in Washington D.C., waar ze een team van 25 mensen hadden. In de vroege jaren 80 begon het snel te groeien en tegenwoordig beslaat het vier verdiepingen van een luxueus gebouw. Internationaal en in de VS hebben WWF-vestigingen bijna 4.000 mensen in dienst.

The Nature Conservancy begon halverwege de jaren veertig, toen een kleine groep wetenschappers hun best deed om natuurgebieden in de Verenigde Staten te beschermen. In 1965 gebruikte TNC een subsidie ​​van de Ford Foundation om het salaris van haar eerste fulltime president te betalen. In de jaren zeventig groeide het uit tot alle 50 Amerikaanse staten en verspreidde het zich over Latijns-Amerika. Gevoed door nieuwe injecties van bilaterale en multilaterale financiering, evenals bedrijfsondersteuning, begon TNC in de jaren negentig met een snelle groei - en breidde ze uit naar nieuwe regio's over de hele wereld. Toch vindt het grootste deel van het werk van TNC plaats in de Verenigde Staten zelf. Het is nu de grootste natuurbeschermingsorganisatie ter wereld, met middelen van meer dan $ 3 miljard.

Internationaal behoud begon dramatisch in 1986. In de voorgaande jaren was het internationale programma van TNC snel gegroeid en waren er spanningen ontstaan ​​met de andere programma's. Toen de centrale leiding van TNC hen probeerde om te leiden, 'sloot vrijwel al het internationale personeel van TNC' de winkel 'en werd Conservation International.

Vanaf het begin was de nieuwe organisatie goed voorzien van het personeel, de contacten en het geld dat ze had verzameld voorafgaand aan haar ontslag. In 1989 rekruteerde hij een andere groep WWF-stakers - en begon zich te verspreiden met behulp van een agressieve fondsenwervingsmachine die de afgunst van al zijn concurrenten is geworden. Een aanzienlijk deel van de middelen is echter rechtstreeks afkomstig van vier organisaties: de Stichting
Gordon & Betty Moore, de MacArthur Foundation, de Wereldbank en de Global Environment Facility (GEF).

Aan de andere kant hebben TNC en WWF meer diverse en geconsolideerde financieringsbronnen. De discussie over de "aard" van allianties tussen natuurbeschermers en inheemse volkeren, en de noodzaak om nauw samen te werken met lokale gemeenschappen, was slechts een tijdje aanwezig, voordat ze verdween. Grote milieu-ngo's zijn overgestapt op een nieuwe benadering van grootschalige natuurbehoud. Strategieën en het belang van wetenschap, in plaats van sociale realiteiten, bepalen hun agenda's.

Tegelijkertijd is er een onderliggend probleem, waar ze praten over hoe moeilijk inheemse volkeren kunnen zijn, hoe moeilijk het is om met hen samen te werken, en, zoals in plaatsen als Ecuador, Bolivia en de regio Chiapas in Mexico, de inheemse bevolking zijn de opstand en het geweld binnengegaan. Dan komt de waarschuwing van verschillende natuurbeschermingsbewegingen, omdat ze denken dat inheemse volkeren geen goede bondgenoten zijn, zoals ze gemakkelijk hadden gewaarschuwd. Dat inheemse volkeren niet, zoals de meeste andere mensen, gelijk zijn aan goede natuurbeschermers, en dat ze soms hun economisch welzijn verkiezen boven het behoud van natuurlijke hulpbronnen. Ze tonen als voorbeeld de Kayapó in Brazilië die hun bossen kappen en de Maya's die de bossen van de Petén van Guatemala kappen en platbranden, en deze gevallen worden vaak verspreid alsof ze de beste voorbeelden en bewijzen zijn van de destructieve neigingen van inheemse volkeren. .

De verscheidenheid aan programma's die de drie natuurbeschermingsgroepen hebben gelanceerd op het grondgebied van inheemse volkeren, is gedeeltelijk verantwoordelijk voor de toename van vijandelijkheden en gevechten. Een van de fundamentele meningsverschillen betreft de totstandbrenging van beschermde natuurgebieden, die volgens de bevolking van deze gebieden vaak hun rechten schenden. Soms worden inheemse volkeren uitgezet, en vaak lijken natuurbeschermers achter deze gebeurtenissen te zitten. Bij andere gelegenheden is het traditionele gebruik van het land "illegaal" verklaard, wat heeft geleid tot vervolging van de inwoners door de overheid. En dit ging gepaard met de relaties van natuurbeschermingsorganisaties met multinationale ondernemingen, in het bijzonder die welke olie- en gaswinningsactiviteiten uitvoeren, de farmaceutische industrie en mijnbouwbedrijven, die direct betrokken zijn bij plundering en vernietiging van de bossen van de inheemse volkeren. .

Hoe verslechterden relaties zo snel en zo drastisch? In de jaren zeventig en tachtig hadden natuurbeschermers en inheemse volkeren weinig met elkaar te maken. In Latijns-Amerika bijvoorbeeld werkten NGO's voor natuurbehoud meestal via lokale stedelijke groepen en was er weinig kennis over wie de inheemse volkeren in de verschillende landen waren. Halverwege de jaren tachtig werd de doorbraak echter geopend door WWF met een programma dat ze Wildlands noemden (Unexplored Lands and Human Needs Translator's Note). Gebaseerd op inspanningen voor het behoud van de gemeenschap, met financiering van het American Agency for International Development (USAID).


Dit werd in het WWF gezien, in veel gevallen als een afleiding, omdat het personeel voornamelijk biologen was en geen ervaring had met het werken met gemeenschappen. Ze zagen het nieuwe programma als een ongewenste afleiding van hun strikte natuurbeschermingsmissie. Het werd door USAID gezien als een oplegging die hen ertoe aanzette om tot een grotere plaatselijke toenadering te komen.

In 1989 deed de coördinator van de inheemse organisaties van het Amazonebekken (COICA) een directe oproep aan "de gemeenschap van geïnteresseerde ecologische activisten" op internationaal niveau, met het voorstel om een ​​alliantie te vormen "ter verdediging van ons Amazonegebied". (I) De oproep van COICA tot gezamenlijke actie kwam in een tijd dat het Amazone-ecosysteem meer dan ooit werd bedreigd door activiteiten met veel middelen, verouderde opvattingen over ontwikkelings- en kolonisatieprojecten, om veeboerderijen op te zetten, ongereguleerde houtkapactiviteiten en mijnbouwactiviteiten. In de oproep van COICA werd gesteld dat natuurbeschermers "ons, de inheemse volkeren, buiten hun visie op de Amazone-biosfeer hebben gelaten."

Dit verzuim, zo wezen ze erop, was de belangrijkste reden waarom de programma's van natuurbeschermers niet effectief waren. In haar oproep presenteerde COICA twee agenda's - een voor natuurbeschermers en de andere voor multilaterale banken. Ze voegden deze verklaring toe: "Wij, inheemse volkeren, zijn al millennia een integraal onderdeel van de Amazone-biosfeer. We hebben de bronnen van die biosfeer met groot respect gebruikt, omdat het ons thuis is, en omdat we weten dat onze overleving en van onze toekomstige generaties zijn afhankelijk van de Amazone. We hebben kennis vergaard over de ecologie van ons huis, onze levensmodellen met de eigenaardigheden van de Amazone. Onze eerbied en respect voor het bos en zijn andere bewoners, planten en dieren, zijn het belangrijkste om de toekomst van het Amazonebekken te garanderen, niet alleen voor onze volkeren, maar voor de hele mensheid ". (ii)

COICA's argumenten combineren mensenrechtenoverwegingen met praktische overwegingen voor actie op het gebied van duurzame ontwikkeling, territoriale verdediging, instandhouding en onderzoek, en weerspiegelen de prioriteiten van de inheemse volkeren. Ze stelden voor dat natuurbeschermers en ontwikkelingsorganisaties "rechtstreeks met onze organisaties samenwerken in al hun programma's en campagnes die onze gebieden beïnvloeden." In die tijd kwam deze suggestie als een openbaring voor veel natuurbeschermers - een alternatieve benadering waar ze misschien gewoon mee werken!

Sommigen van hen vroegen zich af waarom zo'n voor de hand liggend concept niet eerder bij hen was opgekomen. De twee COICA-agenda's hadden een grote impact over de hele wereld en veroorzaakten veel discussie over partnerschappen, allianties, mede-aansturing van beschermde natuurgebieden, inheems leiderschap en participatie, en een verscheidenheid aan andere actieve relaties.

In mei 1990 organiseerde COICA "De eerste top van de Amazone-conferentie tussen inheemse volkeren en ecologische activisten" in de Peruaanse stad Iquitos. Afgevaardigden van de inheemse gemeenschappen van Peru, Bolivia, Ecuador, Colombia en Brazilië, evenals het Wereldbank Informatiecentrum, de Peruviaanse Stichting voor het behoud van de natuur, de Vrienden van de aarde, Greenpeace, de Internationale Federatie van La Fauna, Probe International, Rainforest Action Network, The Rainforest Alliance, het Sierra Club Legal Defense Fund, het World Resources Institute, CI en WWF.

Aan het einde van deze bijeenkomst ondertekende iedereen de Verklaring van Iquitos, die onder andere concludeerde dat "het noodzakelijk is om in de toekomst te blijven werken als een alliantie van inheemse volkeren en ecologische activisten voor een Amazonegebied voor de mensheid." (iii)

In 1992 was de rol van inheemse volkeren in beschermde natuurgebieden een hoofdthema in de International Union for the Conservation of Nature, tijdens het IV World Congress on National Parks and Protected Natural Areas, dat plaatsvond in Caracas, Venezuela. Tijdens deze periode begonnen de IUCN en het WWF met het produceren van een groot aantal verklaringen, principes en beleidsdocumenten waarin de waarde van traditionele kennis, de noodzaak om inheemse tradities te respecteren en het belang van het smeden van allianties werd besproken. (Iv)

De IUCN-WWF Principles and Guidelines on Indigenous and Traditional Peoples in Natural Protected Areas 'werden formeel gepresenteerd in oktober 1996. (v) Het begon met de observatie dat inheemse volkeren een lange geschiedenis van relatie met de natuur hebben en' een diep begrip ervan hebben "Hij vervolgde:" Ze hebben vaak de belangrijkste bijdrage geleverd aan het onderhoud van veel van de kwetsbare ecosystemen op aarde ", en
Bijgevolg is er geen inherent conflict tussen instandhoudingsdoelstellingen en inheemse volkeren. "Bovendien moeten [inheemse volkeren] worden erkend als eerlijke en gelijkwaardige partners bij de ontwikkeling en toepassing van beschermingsstrategieën die gevolgen hebben voor hun land, territoria, rivieren, kustzeeën en andere hulpbronnen, en in het bijzonder bij de oprichting en het beheer van beschermde natuurlijke Gebieden. " Met deze verklaring sponsorde de IUCN-WWF op de een of andere manier de behoefte aan medebeheer en respect voor inheemse volkeren en hun kennis van het milieu.

Eind jaren tachtig en begin jaren negentig begonnen natuurbeschermingsorganisaties programma's te ontwerpen om met gemeenschappen samen te werken. Donoren, zowel particuliere stichtingen als bilaterale agentschappen, waren voorstander van deze aanpak en het was toen in zwang: het concept van duurzame ontwikkeling. Het werd al snel de "treinwagon" waar veel natuurbeschermingsorganisaties in sprongen. (Vi)

De initiatieven die verschenen hadden verschillende namen, zoals "Beheer van natuurlijke hulpbronnen door lokale gemeenschappen", "lokale gemeenschap en instandhouding", "duurzame ontwikkeling en het gebruik ervan", "lokaal behoud", "deconcentratierechten over hun hulpbronnen naar lokale gemeenschappen," "en misschien noemden de meeste natuurbeschermers ze gewoonlijk -" Integratie- en ontwikkelingsprogramma's "(ICDP's). Het is belangrijk op te merken dat al deze
Regelingen zijn gemaakt door natuurbeschermers, niet door inheemse volkeren. De programma's zijn ontworpen en worden en werden geleid door de NGO's, niet door de inheemse organisaties zelf. De stichtingen verstrekten het geld aan de ngo's om de programma's voor de inheemse gemeenschappen te ontwikkelen, en er werden kleine interne eenheden gevormd om deze mandaten uit te voeren.

Er ontstaan ​​moeilijkheden.

Het resultaat van deze inspanningen om samen te werken met inheemse gemeenschappen was, op enkele uitzonderingen na, een reeks mislukkingen. In het veldwerk waren de ICDP's over het algemeen paternalistisch, zonder gespecialiseerde kennis, met enerzijds de natuurbeschermers die alles beheersten en met weinig toegang van de inheemse bevolking. Het gevolg was dat de weinige verenigingen die naar aanleiding van het COICA-voorstel werden opgericht, goed werkten. De rest werkte niet. Volgens Thomas McShane van WWF International: "Aangemoedigd door de waanzinnige vraag om voorbeelden van duurzame ontwikkeling te demonstreren, maakten ICDP's gebruik van de populariteit van dat idee en maakten ze snel een onbewezen ontwerp om geld aan te trekken voor een 'best practice' voor het behoud van biodiversiteit."

Feit is dat de natuurbeschermingsorganisaties niet tevreden waren met de sociale en economische resultaten, waarop ze reikhalzend hadden uitgekeken.De successen waren zeer zeldzaam, en tegenwoordig groeien vooral kritische meningen, wat de bezorgdheid voedt bij de organisaties die de ICDP's hebben uitgevoerd en gefinancierd. (Vii)

Anderen hebben echter sterk betoogd dat deze instandhoudingsprogramma's door lokale gemeenschappen inherent in strijd zijn met de doelstellingen van het behoud van de biodiversiteit, en dat dit gebaseerd moet zijn op de striktheid van biologische wetenschappen. Om deze reden zeggen ze dat deze ervaringen gedoemd zijn te mislukken, ongeacht het feit dat degenen die ze hebben uitgevoerd zichzelf waren, de natuurbeschermings-ngo's.

Katrina Brandon en haar collega's Kent H. Redford en Steven E. Sanderson van TNC schreven: "De tendens om duurzaam gebruik van hulpbronnen te promoten als middel om ze te beschermen, kan politiek en intellectueel gunstig zijn, maar wordt niet gevalideerd met de wetenschap dat we hebben op het gebied van ecologie en biologie. Niet alle dingen kunnen door gebruik worden behouden. Niet alle plaatsen moeten openstaan ​​voor dispositie. Zonder een breder begrip van de ecosysteemdynamiek op specifieke locaties, zullen strategieën die instandhouding bevorderen, duurzaam gebruik leiden tot aanzienlijke verliezen aan biodiversiteit . " (viii)

In TNC's bespreking van Parks in Peril (PiP), het programma, herhaaldelijk gefinancierd door USAID in de jaren negentig, noemden Brandon, Redford en Sanderson de ideeën van Duurzaamheid door gemeenschappen "de pakkende uitdrukkingen" en "slogans" gebaseerd op "stereotypen". " Deze catchphrases en catchphrases, zeggen ze, misleiden, en beloven dat "conflicten over het gebruik van hulpbronnen relatief gemakkelijk kunnen worden opgelost" (ibid.) En leidt ons af van de echte biodiversiteitstaak door te beschermen wat een op een bedrijf gebaseerd bedrijf moet zijn. wetenschap. Vooral Redford heeft
jarenlang beweerd dat het stereotype van de ecologische 'goede wilde' (ix) cynisch wordt gebruikt door 'inheemse volkeren en hun verdedigers omdat ze de kracht van dit concept erkennen door steun te verzamelen voor hun strijd voor landrechten, met name door grootschalig internationaal behoud organisaties. " (X)

Hoe het ook zij, feit is dat inheemse volkeren nooit de kans kregen om hun eigen projecten te ontwerpen en uit te voeren, en met natuurbeschermers aan het roer, mislukten de projecten die werden uitgevoerd. Veel projecten waren slecht bedacht door natuurbeschermers. De mix van de projecten met agroforestry en biologisch tuinieren viel uit elkaar omdat niemand had nagedacht over hoe ze op de markt konden brengen wat er ging groeien. De lokale ecologische omstandigheden waren niet geschikt voor het type gewassen dat zou worden geïntroduceerd. De lokale bevolking was niet geïnteresseerd in de aanleg van de parken of de beheerplannen die de natuurbeschermers voorstelden. De milieueducatie die in inheemse gebieden plaatsvond, was gepland alsof het voor stedelijke programma's was. Kortom, de natuurbeschermers hadden minimale ervaring met het werken met gemeenschapsgroepen.

Het ongeduld groeide binnen de Foundations en de relaties tussen natuurbeschermers en inheemse volkeren werden gespannen en in sommige gevallen zelfs erger. In haar officiële beleid, WWF-USA. is in veel van zijn verklaringen respect voor inheemse volkeren blijven uiten, erop wijzend dat er een gebrek is aan verder onderzoek en interesse in inheemse of lokale gemeenschappen. (2) In de verklaringen over ecoregionale strategieën vermijdt WWF eenvoudigweg te praten over hoe volkeren inheemse bevolking in effectieve termen. (3)

Eind 2002 vertelde de directeur van het WWF-programma voor Latijns-Amerika me iets nadrukkelijk, verwijzend naar het Amazonebekken: "We werken niet met inheemse volkeren. We hebben niet de capaciteit om met inheemse volkeren te werken." Rond deze tijd vertelde een bioloog van Conservation International die samenwerkte met de Kayapó in de lagere Xingu-regio van Brazilië: "Eerlijk gezegd zorg ik niet voor wat de Indianen willen. We moeten werken aan het behoud van de biodiversiteit."

Deze laatste opmerking klinkt misschien hard, maar ik denk dat het met grote precisie de heersende manier van denken binnen natuurbeschermingsorganisaties weergeeft. Hoewel ze het niet ronduit zullen zeggen, is de houding van veel natuurbeschermers dat ze het geld hebben en beslissen wat er moet gebeuren.

Ze hebben bepaalde gebieden afgezet voor behoud, en in hun eigen gedachten hebben ze een duidelijk idee van wat er moet gebeuren. 'Ze zien zichzelf als wetenschappers die Gods werk doen', zegt een criticus, en hij merkt op dat natuurbeschermers 'aannemen dat ze een goddelijke missie hebben om de aarde te beschermen'. Gewapend met wetenschap bepalen ze de voorwaarden voor betrokkenheid. Dus nodigen ze de inheemse bevolking, de bewoners, uit om deel te nemen aan de agenda die ze hebben opgesteld.

Als inheemse volkeren de agenda niet leuk vinden, worden ze gewoon genegeerd. "Ik denk dat als er een verandering komt", zegt een belangrijke hoge functionaris van een van de grootste stichtingen die ngo's hebben gesteund - "een natuurbeschermer verandert om lokale capaciteit op te bouwen, door lokale ngo's te helpen die vervolgens kunnen werken met inheemse gemeenschappen in hun. Deze groepen zijn nu gezien als semi-permanente internationale organisaties, dat is niet aan het werk. "

Feit is dat inheemse volkeren en natuurbeschermers heel verschillende agenda's hebben. Inheemse agenda's beginnen bijna altijd met de noodzaak om hun territoria te beschermen en te legaliseren voor hun gebruik. Ze benadrukken het belang van het vinden van manieren om de kost te verdienen op hun eigen grondgebied zonder hulpbronnen te vernietigen. En ze geven hoge prioriteit aan het documenteren van de geschiedenis van hun volkeren, tradities en culturele identiteit.

Instandhoudingsagenda's beginnen daarentegen vaak met de noodzaak om beschermde natuurgebieden op te richten waar mensen verboden terrein moeten zijn om hun instandhoudingsplannen te ontwikkelen. Als ze inheemse volkeren in hun plannen opnemen, zien natuurbeschermers deze mensen eerder als een mogelijk middel dan als een doel op zich. Natuurbeschermers zijn zelden bereid om juridische strijd om landbezit en de versterking van inheemse organisaties te steunen. Ze beschouwen deze acties "te politiek" en vallen buiten hun beschermingsmissie. Ze waren terughoudend om inheemse volkeren te steunen in hun strijd tegen de olie-exploratie, terwijl deze en de mijnbouwbedrijven en andere bedrijven enorme delen van de jungle en bossen over de hele wereld vernietigen.

Nogmaals, het excuus is dat dergelijke interventies "te politiek" zouden zijn, en natuurbeschermers wijzen er vaak op dat het de nationale regeringen zijn die deze kwesties moeten aanpakken. Afgezien van deze afwijzing, is er de moeilijkheid om de culturele verschillen tussen de geïndustrialiseerde visie en de inheemse manieren om de wereld te zien, na te denken, te onderhandelen en beslissingen te nemen, te verzoenen.

Andrew Chapeskie legt bijvoorbeeld de moeilijkheden uit waarmee degenen die op zoek zijn naar regelingen voor co-regie tussen inheemse volkeren en natuurbeschermers in de Canadese context worden geconfronteerd: hoe moet een co-regie worden geregeld die kan worden ingesteld voor de gebieden en wateren waar het nodig is rekening houden met de relaties die de Aboriginals hebben opgebouwd met het land, waar ze normatieve waarden van gelijkheid, samenwerking en wederkerigheid hebben opgebouwd die tot uitdrukking komen in lokale autoriteiten en gemeenschappelijke normen voor toegang tot eigendom, terwijl de andere kant relaties zijn met landen die gereguleerd door de staat en gebouwd rond de normatieve waarden van concurrentie, exclusieve rechten op eigendom en zijn hulpbronnen, en centralisatie van de beheersautoriteit? Dit zijn uitdagende vragen voor zowel Aboriginal-gemeenschappen zoals zijzelf, als voor hun niet-Aboriginal-collega's in Noordoost-Ontario. (Xi)

Het opbouwen van een vertrouwensrelatie met culturen, wanneer mensen aan tafel komen en verschillende agenda's en wereldbeelden dragen, vereist geduld en respect - kwaliteiten die zelfs onder normale omstandigheden moeilijk te vinden zijn. De uitdaging groeit exponentieel en wordt moeilijker wanneer geld binnenkomt en de relatie asymmetrisch wordt, met al het geld en de macht aan één kant.

Het geld

Sinds 1990 is er in het algemeen een duidelijke afname van de hoeveelheid geld die beschikbaar is voor instandhoudingsprogramma's. Volgens een recente beoordeling door financieringsmaatschappijen voor natuurbehoud "is tussen het midden van de jaren negentig en het begin van deze eeuw het bedrag aan middelen dat bijna 50 procent reductie. "

Tegelijkertijd "namen de fondsen die beschikbaar waren voor grote NGO's (WWF, TNC en CI) relatief en absoluut toe". (xii)

Terwijl de wereldwijde fondsen voor natuurbehoud afnamen, groeiden grote ngo's met hun uitbreiding, door fondsen te werven en toegang te krijgen tot nieuwe bronnen met een breed scala aan tactieken. Recente studies schatten dat de gecombineerde inkomsten van WWF, TNC en CI in 2002 voor werk in ontwikkelingslanden meer dan de helft bedroegen van de ongeveer $ 1,5 miljard die in 2002 beschikbaar was voor natuurbehoud; en de drie grote investeerders in natuurbehoud in ontwikkelingsgebieden groeiden van ongeveer $ 240 miljoen in 1998 tot ongeveer $ 490 miljoen in 2002 (4). (xiii)

De drie grote fondsenwervers bestrijken vrijwel alle bases: particuliere stichtingen, bilaterale en multilaterale instanties, bedrijven, de Amerikaanse regering en individuen (WWF heeft nog steeds een programma genaamd "Pennies for the Planet", dat bedoeld was om kinderen te tikken voor uw spaarvarken ).

Deze drastische verandering kan het gevolg zijn van een strategische verschuiving. Gezien het feit dat twee decennia geleden het geldvolume voor de drie grootste milieu-NGO's afkomstig was van particuliere stichtingen en individuen, terwijl de stromen nu het meest afkomstig zijn van bilaterale en multilaterale agentschappen en particuliere bedrijven. Dat betekent niet dat individuele donateurs en stichtingen buitenspel zijn gezet, want ze maken nog steeds een vrij groot percentage van de totale budgetten uit. Maar de bijdragen van bilaterale, multilaterale en zakelijke bronnen 'de metgezellen' of 'de medewerkers', zoals ze door natuurbeschermingsgroepen worden genoemd, zijn toegevoegd aan de traditionele bronnen die erg weelderig waren.

Er zijn verschillende dingen gedaan om sterke financiële steun te krijgen van het zwakke economische klimaat. Ten eerste herformuleerden WWF, CI en TNC hun missieverklaringen vanaf het midden tot eind jaren negentig, om zich te concentreren op wat zij "grootschalige instandhouding" noemden. De benaderingen, de gebruikte termen zijn verschillend. Conservation International gebruikt de term "hotspots" (5), "ecoregions" en "Global 200" (? 6) voor WWF, "ecosystemen" voor TNC (7) en "levende landschappen" voor de Society for the Conservation of Fauna (WCS ) - maar ze lijken in die zin op elkaar, het zijn onbevolkte gebieden en, zoals alle ngo's, zijn ze "ambitieus" en zelfs "visionair". (8)

Deze grootschalige benaderingen worden gezien als de vereiste om de grote mondiale bedreigingen voor ecosystemen en soorten waarmee we nu geconfronteerd worden het hoofd te bieden. Zoals Myers en zijn collega's schreven: "Traditionele scatterguns komen heel dicht in de buurt van natuurbehoud, terwijl ze proberen om veel dingen te zijn terwijl ze soorten bedreigen. Ze moeten worden geïntegreerd met een" zilveren kogel. "Strategie bij het formuleren van hotspots met de nadruk op winstgevende maatregelen. "(xiv)

De essentie van het argument voor dit soort strategische outreach is dat ze proberen de wereld holistischer te zien dan de manier waarop deze in het verleden heeft gezegevierd - dat niet alleen het ecosysteem in gevaar is, maar iedereen is, omdat de hele wereld met elkaar verbonden is. . Presentaties van deze bureaus kunnen zeer boeiend en levendig worden weergegeven met GIS, beeldtechnologie en satellietbeelden die een paar jaar geleden niet beschikbaar waren. En als de tijd daar is, kan het argument voor de noodzaak van grootschalige strategieën de impact hebben die nodig is om aan geld te komen. Natuurlijk zijn er grote hoeveelheden geld nodig om deze grootschalige plannen uit te voeren. Met betrekking tot de hotspotstrategie van Conservation International suggereren Myers en collega's dat $ 500 miljoen per jaar een passend bedrag zou zijn om de top 25 hotspots te behouden. (Xv) De grootste van de drie natuurbeschermings-ngo's maakt deze verduidelijking om aan te tonen dat alleen zij de capaciteit om projecten van deze omvang af te handelen.

Hier zien we twee uiteenlopende interpretaties die natuurbeschermings-NGO's ontwikkelden over hun strategische benaderingen van natuurbehoud. Verdedigers binnen de NGO's beweren dat deze benaderingen het resultaat zijn van langdurige wetenschappelijke processen die gebaseerd zijn op biologische criteria - in tegenstelling tot sociale of politieke criteria. (9) Critici binnen en buiten NGO's wijzen erop dat begrippen als 'ecoregio's', 'hotspots' en 'behoud van territoria' slechts een paar technieken en uitdrukkingen zijn, die we kunnen lenen van Brandon, Redford en Sanderson en dat ' wetenschap 'is, ervan uitgaande dat ze bestaat, ter decoratie. Misschien is het juister om te zeggen dat deze benaderingen een combinatie van beide zijn; Maar de marketinginvalshoek staat buiten kijf. Een recent WWF-document zegt bijvoorbeeld: "Ecoregion Conservation-programma's moeten een krachtig ambitieuze visie ontwikkelen voor een ecoregio om de koers te bepalen en financiële steun te motiveren.

Deze visie moet een geïnspireerde boodschap bevatten om belanghebbenden en collega's te motiveren en te betrekken. ”(Xvi) Naast alles wat we van wetenschap kunnen bedenken, lijdt het geen twijfel dat de nieuwe benadering van mondiale natuurbescherming winstgevend is.

Een van de grootste en meest spraakmakende ondersteuningen van de afgelopen jaren is de $ 261,2 miljoen die door de Gordon & Betty Moore Foundation aan Conservation International is gedoneerd voor natuurbeschermingsactiviteiten, met een focus op wetenschap, in hotpots. Conservation Priorities - translation note) " en tropische woestijngebieden "over de hele wereld.

Door het International Conservation Centre for Biodiversity Conservation ($ 121,2 miljoen), de Scientific Field Stations ($ 40 miljoen) en het Global Conservation Fund ($ 100 miljoen) samen te brengen, wordt het project gedefinieerd door de referentie van de grote "Ecological Corridors" wat de Moore Foundation definieert als "netwerken van beschermde gebieden (nationale parken, reservaten, enz.) en andere gebieden onder de criteria van vriendelijk gebruik voor biodiversiteit die groot genoeg zijn voor duurzaamheid en evolutionaire processen." Moore's perspectief vervolgt: "Het behoud van de biodiversiteit hierop richten voor grootschalige vestiging door verbindingen tot stand te brengen tussen parken en beschermde natuurgebieden, waardoor de instandhoudings- en beschermingsimpact voor de te behouden individuele soorten wordt vergroot" (xvii)

Als het eerste betekent dat de geldstroom wordt vergroot, dat was wat ze hebben verkregen, omdat ze indruk maakten op de fundamenten met de doelstellingen van grote macht, dan betekent het tweede dat ze achter de bilaterale en multilaterale agentschappen aan gaan.

De drie grote milieu-ngo's waren opgelucht door deze voorwaarden, vaak te midden van interne discussies en debatten. Hoe de relatie van WWF met USAID begin jaren tachtig begon, is illustratief. Aan het eind van de jaren zeventig, toen USAID haar belangen in het milieu vergroot, realiseerden milieu-ngo's zich dat dit een lucratieve bron van steun voor hun werk kon zijn. Aanvankelijk nam WWF relatief kleine bedragen, nooit meer dan 50 procent van enig projectbudget, en vulde de nieuwe bron aan met fondsen die ze privé hadden ingezameld. Ze wilden niet op de politieke agenda's van USAID komen te staan ​​of de instabiliteit die daarmee gepaard gaat. Volgens een hoge WWF-functionaris die midden in deze onderhandelingen zat, begon de 50% -regel geleidelijk te worden geschrapt. Omdat de budgetten uit andere particuliere bronnen opraken, verschoof WWF projectgelden naar USAID om de projecten in volledige uitvoering voort te zetten. Grotere bedragen aan USAID-geld vulden deze gaten, en in korte tijd was er een keten van projecten waarbij tussen 80 en 90 procent van het budget door USAID werd verstrekt.

'Toen stopten we ergens langs de lijn met het stellen van de vragen,' vertelde de officier me. "We putten hier troost uit. Het is niet duidelijk
waar of wanneer, maar op een gegeven moment overschrijden we de grens en gaan we ervan uit dat hele projecten en programma's worden geconsolideerd met overheidsgeld
dat dit goed was. ”Ze konden niet ontbreken, terwijl andere bezorgde NGO's deze kwesties op de voet volgden.Ondanks de eerste prognoses heeft deze strategie zijn vruchten afgeworpen met de vorming van een verscheidenheid aan verenigingen, regelingen voor co-leiderschap en partnerschappen. (10) Voorbeelden hiervan zijn de World Bank-WWF World Forest Alliance, die in 1998 werd opgericht en momenteel in 30 landen werkt. , en het Society for Critical Ecosystems Fund (CEPF), $ 150 miljoen voor het initiatief van Conservation International, de Wereldbank, Global Environmental Facility, de MacArthur Foundation en de regering van Japan. Van 1990 tot 2001 verstrekte USAID in totaal ongeveer $ 270 miljoen aan ngo's, universiteiten en particuliere instellingen voor natuurbeschermingsactiviteiten. (Xviii)


Het grootste deel van dit bedrag ging naar ngo's zoals WWF, die ongeveer 45 procent van het beschikbare geld ontvingen (11). Een kleiner deel van het totale instandhoudingsbudget ging via de Global Conservation Agency naar slechts vijf andere ngo's - CI, TNC, WCS, de African Fauna Foundation (AWF) en Enterprise Works. De theorie achter deze regeling is dat deze groepen een deel van het geld dat ze ontvangen voor hun werk zullen verdelen onder lokale ngo's. Dit zou de papierlast voor USAID kunnen verlichten; maar het geeft de zes NGO's ook aanzienlijke macht over de agenda's van lokale groepen waarmee ze een band hebben.

Om een ​​voorbeeld te geven kunnen we bijvoorbeeld de steun van USAID van PROARCA zien. Een overeenkomst voor een vijfjarig project in Midden-Amerika dat halverwege de jaren 90 begon. Het had een budget van $ 5 tot $ 6 miljoen per jaar, waarvan ongeveer $ 1 miljoen per jaar naar TNC, WWF en de Rainforest Alliance. Het doel van het project was "om de richting van het milieu in Meso-Amerika, de Biologische Corridor (CBM) te verbeteren" - wat op zijn beurt een project was
uitgevoerd door de Wereldbank, met GEF-geld. De eerste fase bracht planning, tijdens de tweede fase werd de "uitvoering" uitgevoerd met een jaarlijks budget dat iets hoger was dan in 2002.

Hoewel het volume van de NGO-component die grootschalige activiteiten op politiek niveau uitvoert, bevat het ook een fonds van kleine concessies die theoretisch ten goede kwamen aan lokale NGO's die betrokken zijn bij het behoud van de biodiversiteit.

Een derde strategie, die aanvankelijk onschuldig genoeg leek, was om het bedrijfsleven meer te bereiken. TNC en WWF bestaan ​​al heel lang
betrokken bij particuliere bedrijven, maar pas halverwege de jaren 90 nam dit toe. Tegenwoordig heeft TNC ongeveer 1.900 sponsors
bedrijven die in 2002 in totaal $ 225 miljoen aan de organisatie hebben geschonken (xix). Op de website van Conservation International staan ​​250 bedrijven die in 2003 ongeveer $ 9 miljoen hebben gedoneerd voor hun activiteiten. Het aandeel van WWF is kleiner, maar zoekt actief naar dat soort steun. In het WWF-programma is de hoogste categorie van bedrijfssponsors 'de conserveringspartner', die bestaat uit 'multinationale ondernemingen die een groter fonds bijdragen aan het wereldwijde natuurbehoud waarin WWF werkt'. "Onafhankelijk onderzoek toont aan, zo vertellen ze ons," dat consumenten veel waardering hebben voor een bedrijf waarin het investeert en verantwoordelijkheid neemt voor milieubehoud. "

WWF selecteert "het beste bedrijf dat maatschappelijk verantwoord ondernemen en de beste milieupraktijken heeft", maar ziet ook de noodzaak om "bedrijven met slechte of zwakke milieurecords in te schakelen waar er een reëel potentieel voor positieve verandering is." (Xx)

Onder de bedrijven die geld naar de grote drie natuurbeschermings-ngo's sluizen, zijn Chevron Texaco, ExxonMobil, Shell International, Weyerhauser, Monsanto, Dow Chemical en Duke Energy.

De gevolgen

Velen hebben terecht gezegd dat de nieuwe mix van fondsenwervingsstrategieën, in combinatie met de intensiteit van de jacht op geld, de natuurbeschermings-ngo's groter, rijker en machtiger heeft gemaakt. In de jaren tachtig dachten velen van ons dat dit een belangrijk doel was. Voor natuurbehoud is geld nodig, en het leek voor milieuactivisten duidelijk dat grote milieuorganisaties een goed fonds nodig zouden hebben om de grote missie uit te voeren om de planeet te redden van ecologische rampen. Er zit misschien nog een kern van waarheid in dit geloof-
van natuurbeschermingsgroepen die bewonderenswaardige en ambitieuze plannen hebben ontwikkeld - maar hun groei heeft ook onvoorziene complexiteiten en
tegenstrijdigheden.

Een probleem is dat de drie grootste ngo's zijn gegroeid en de afhankelijke 'poortwachters en censors' zijn geworden van de enorme hoeveelheden
contant geld. Dit heeft een klimaat van spanning gecreëerd en niet altijd gunstige concurrentie tussen hen. Het resultaat was een sterke afwijzing van de partner, of niet met iemand anders willen werken. Of in relaties met kleinere organisaties hebben ze de neiging om hun institutionele gewicht te gebruiken om hun agenda eenzijdig te pushen, anders sluiten ze kleinere groepen uit die deze voorwaarden niet accepteren.

Een veel voorkomende tactiek is om nieuwe organisaties buiten het netwerk op te richten in het buitenland, waarbij lokale organen worden geïmplanteerd als verlengstukken daarvan. Onder elkaar, in de relaties van de grote natuurbeschermings-NGO's, gaan de contractuele regelingen aan - bijvoorbeeld het USAID-programma voor Midden-Amerika,
heeft de gewoonte om consortia te organiseren, hoewel ze in de meeste gevallen ijverig afstand houden en grote onwil tonen om de
informatie. USAID PROARCA-programma's in Midden-Amerika zijn dus een soort "jachtgeweer" -huwelijk waarin TNC en WWF (met de Rainforest Alliance als kleine accessoire) elkaar tot een samenwerkingsrelatie duwen.

Vanaf het begin bleven WWF en TNC uit elkaar, terwijl ze twee shows volledig gescheiden hielden, met minimale overlap. WWF se
concentreerde zich op het kustgebied, terwijl TNC zorgde voor de beschermde natuurgebieden in het binnenland. Dergelijk isolationistisch gedrag, dat vaak tot uiting komt in het afzetten van onroerend goed, is al jaren gebruikelijk en wordt nog verergerd door de groei in omvang en kracht van natuurbeschermings-NGO's. Zo wordt bijvoorbeeld algemeen erkend dat Conservation International zichzelf in Suriname en Guyana heeft gepositioneerd als haar "territoria"; TNC controleert de regio Bosawas in Nicaragua en WCS controleert de Boliviaanse Chaco. Territorialiteit die zich zelfs binnen de organisaties zelf manifesteert. Aanvankelijk voerde WWF - USA het bevel over Tanzania, maar stapte later opzij en droeg de verantwoordelijkheid over aan WWF International. Halverwege de jaren tachtig verdeelde WWF de wereld in twee delen, waarbij Latijns-Amerika aan de Amerikaanse tak werd gegeven en de rest van de wereld aan het internationale kantoor (deze divisie was van korte duur).

Het komt ook voor dat de machtigste ngo's druk proberen te uitoefenen op de stichtingen om hun rivalen de toegang te ontzeggen op het grondgebied dat ze hebben ingenomen.
In de Petén-regio van Guatemala in de jaren negentig hadden alle ngo's programma's, werkten ze afzonderlijk en waren er concurrentie
verkrijgen fondsen die aanzienlijk waren.

Tussen 1990 en 2001 werd naar schatting $ 56,6 miljoen dollar uitgetrokken voor instandhouding en duurzame ontwikkeling. USAID verstrekte $ 31,2 miljoen, de Guatemalteekse regering $ 15,3 miljoen, voornamelijk van internationale agentschappen, en internationale ngo's $ 10,1 miljoen.

Erkend moet worden dat dit soort territorialiteit dient om conflicten te verminderen. Er waren verschillende ngo's die strijden om toegang tot één gebied
ze boden hun gevechten aan als een show voor lokale groepen en de onbaatzuchtigheid van donoren die er de voorkeur aan gaven om daar snel weg te komen, wat chaos veroorzaakte. Deze
Het gebeurde van tijd tot tijd, en het resultaat was steevast rampzalig voor allen die er helaas bij betrokken waren.

Aan de andere kant is samenwerking zeldzaam, zelfs als groepen gemeenschappelijke doelen delen. Volgens McShane is "de duivel van het behoud van de biodiversiteit" de
concurrentie voor donorgelden. We weten allemaal dat er geld nodig is voor een succesvol behoud van de biodiversiteit. Helaas stellen natuurbeschermingsorganisaties bij het nastreven van fondsen steeds meer eisen op basis van kleine theorieën. Deze benadering van marketing door natuurbeschermers heeft een onbetwistbaar debat opgeleverd. De noodzakelijke vraag is wat de beste manier is om de biodiversiteit in de wereld te behouden, maar achter de schermen is de eerste vraag hoe je aan het geld kunt komen voordat iemand anders dat doet. (Xxi)

Een ander gevolg van de recente groei van NGO's voor natuurbehoud is de noodzaak om de bronnen van hun fondsen te hebben en de voorwaarden die daardoor zijn gecreëerd. De afhankelijkheid van particulier geld van bilaterale en multilaterale donoren en bedrijven heeft ertoe geleid dat nieuwe belangen - en beperkingen - en bijvoorbeeld USAID, de Wereldbank en GEF in beeld komen als diplomatieke agentschappen die nauw samenwerken met de
nationale regeringen. Ngo's voor natuurbehoud zijn niet in staat zich openlijk te verzetten tegen corruptie of inactiviteit van de overheid, die vaak de hoofdoorzaak is van milieuproblemen.

Een ander gevolg van de toename van fondsen van bilaterale en multilaterale donoren is dat grote ngo's "degenen zijn die de leiding" hebben over
externe bronnen. De strategie van geld dat via ngo's gaat, geeft donoren een aanzienlijke invloed op ngo-programma's, en dit geeft grote ngo's op hun beurt invloed op lokale ngo's die erop moeten vertrouwen dat ze vertrouwen en middelen ontvangen via internationale ngo's. Dit levert twee leiderschapslagen op: ten eerste dat van de bilaterale en multilaterale donoren, en het tweede van de internationale ngo's die deze lokale ngo's onderschrijven. Wanneer het laatste druppel naar de lokale ngo's consolideert, raken ze vaak verstrikt in de koorden die lokale gemeenschappen in kleine ruimtes hebben om hun eigen programma's uit te voeren. Deze fondsen zijn in ieder geval minimaal; verder dan ooit verwijderd van de grote ngo's, die achter het hek optreden. (12)

De situatie is zelfs nog erger voor inheemse volkeren die vaak in verzet zijn tegen hun nationale regeringen over hun territoria en natuurlijke hulpbronnen. Nationale regeringen en de Amerikaanse regering - hebben olie-, mijnbouw-, houtkapbedrijven en farmaceutische bedrijven gesteund in inheemse gebieden en in veel van die landen (onder andere Bolivia, Peru, Ecuador, Guyana, Indonesië en Papoea-Nieuw-Guinea) particuliere concessies verleend door nationale regeringen hebben veel geweld uitgelokt. Elk van de grote natuurbeschermings-ngo's heeft financiële overeenkomsten en politieke banden met regeringen, met bilaterale en multilaterale agentschappen, en multinationals die in de hele derde wereld actief zijn, en zijn terughoudend om zich daartegen te verzetten.

Dit heeft geleid tot de ironische observatie dat grote internationale ngo's een bondgenootschap sluiten met krachten die de ecosystemen van de wereld vernietigen, terwijl ze pogingen om de wereld te redden van de vernietiging negeren of eindigen met tegenstand. Dit zijn geen geïsoleerde gevallen in 2003 Oxfam America steunde een inheemse groep in het Amazonebekken in haar strijd tegen de plunderingen van de Texaco-chevron, terwijl een grote natuurbeschermings-ngo ditzelfde bedrijf bezuinigingen en voorwendsels gaf in ruil voor financiële hulp. Vorig jaar is er een serie artikelen over The Nature Conservancy verschenen. De verslaggevers van de Washington Post, Joe Stephens en David Ottaway, schreven bijvoorbeeld: "De missie van de Conservancy maakt het terughoudend om standpunten in te nemen over enkele van de belangrijkste milieukwesties, waaronder opwarming van de aarde en boringen in de Arctic Wildlife Refuge in Alaska. Bedrijven die vertegenwoordigd zijn in de Conservancy's. de raad van bestuur en de adviesraad hebben op nationaal niveau gelobbyd naast bedrijven over deze kwesties. Een ambtenaar van de Conservancy zei dat de groep het vermijden van kritiek op de milieurapporten van deze bedrijven die lid zijn van hun raad van bestuur ". (xxiii)

De onwil om schadelijke praktijken in landen, in het buitenland, tegen te gaan, is zelfs nog groter op plaatsen waar grote NGO's uit het zicht van de wereld zijn en onder de bescherming staan ​​van regeringen die onverschillig staan ​​tegenover de bescherming van het milieu. En hier hebben we een tegenstrijdigheid. Sinds het midden en eind van de jaren tachtig hebben inheemse volkeren steun gekregen voor verschillende doelen, voornamelijk van particuliere stichtingen en van een verscheidenheid aan Europese instanties. De Interamerican Foundation, een overheidsinstantie van de Verenigde Staten, gaf in deze periode honderden subsidies aan inheemse organisaties en gaf een belangrijke impuls aan de inheemse beweging in Latijns-Amerika. Natuurbeschermingsorganisaties en stichtingen met instandhoudingsagenda's ondersteunden inheemse volkeren gedurende de jaren negentig om te werken aan instandhouding en duurzame economische ontwikkeling. Een resultaat was dat inheemse organisaties sterker zijn geworden. Maar toen ze hun recente troepen begonnen te gebruiken om hun territoria en hulpbronnen te verdedigen, stonden ze tegenover privébedrijven, regeringen, bilaterale en multilaterale instanties en natuurbeschermers die op hen neerkeken.

Er is niet alleen het feit dat natuurbeschermings-ngo's afstand nemen van inheemse volkeren; er is ook het feit dat veel van de particuliere stichtingen,
ze vermijden liever conflicterend of controversieel terrein. De grootste NGO's voor natuurbehoud hebben de afgelopen jaren afstand genomen van inheemse en traditionele volkeren, en de oorzaken van deze scheiding kunnen worden herleid tot twee bijzonder schokkende problemen.

Het eerste is het probleem van het inheemse verzet, dat soms een gewelddadige wending neemt, tegen de activiteiten van veel ngo's die de activiteiten van de
bedrijven die hen ondersteunen. Voor de ngo's is het financieel onverstandig om aan de kant van de inheemse volkeren te staan ​​in deze strijd of opstand tegen deze bedrijven. Ten tweede is er de overtuiging dat natuurwetenschappen de belangrijkste gids moeten zijn voor het behoud van de biodiversiteit in beschermde natuurgebieden. Deze visie heeft een dagelijks debat opgeleverd tussen degenen die de mens niet zien als onderdeel van een ecologische vergelijking (xxiv) en degenen die de niet-inclusie van inheemse en traditionele volkeren in beschermde natuurgebieden verdedigen, zonder rekening te houden met respect voor hun mensenrechten en om redenen van ecologisch pragmatisme. (xxv)

De drie grote NGO's worden in ieder geval in hun bestuurskringen gedomineerd door het tweede gezichtspunt. Volgens hun critici zijn ze steeds meer van mening gaan denken dat plattelandsmensen de vijanden van de natuur zijn, in plaats van hen te zien als politieke actoren van de basis in die omgeving. Inheemse en traditionele volkeren identificeren als obstakels voor effectief behoud, of concluderen dat natuurreservaten die worden bewoond door inheemse volkeren onverenigbaar zijn met 'echt en effectief behoud. Mensen met een vrijere denkrichting betwisten de waarde van kritiek van de natuurbeschermers die voorstellen dat de natuurlijke beschermde Gebieden zijn onbewoond en negeren de rol van de volkeren van de jungle voor hun inspanningen om de bossen te behouden. " (xxvi)

Een vermoeden dat vaak door natuurbeschermers wordt geuit, is dat zodra inheemse volkeren het eigendomsrecht van hun territorium krijgen, er geen garantie is dat ze zullen werken om hun biodiversiteit te behouden. 'Wat als ze, nadat we ze hebben geholpen, besluiten om plotseling hun bossen te kappen?' Het is een veel voorkomende vraag.

Net zoals de mogelijkheden voor inheems beheer ooit algemeen werden erkend, ontbreekt nu het concept dat "inheemse" en "traditionele" volkeren de voorwaarden hiervoor hebben, buiten het discours van de grote natuurbeschermingsorganisaties en wordt het voornamelijk vervangen door het concept van " marginaal 'of' arm '. (xxvii) (Neutrale termen als "landelijk" en "lokaal" zijn ook vervangen in de documenten). Deze taalverandering berooft de waardigheid van inheemse volkeren. Wie is er geïnteresseerd in het redden van de cultuur van gemarginaliseerde mensen? Wat is de waarde van de ecologische kennis van de armen? Mensen van wie wordt aangenomen dat ze geen specifieke cultuur, middelen of historische eisen hebben aan hun territoria, die het einde van hun bestaan ​​in beslag nemen, zijn in zeer reële zin 'waardeloze mensen'.

In de afgelopen jaren of langer zijn de grote natuurbeschermings-NGO's gekomen om te verkondigen dat wat ze doen natuurbehoud is, niet 'armoedebestrijding'.
wat ze lijken te vergelijken met elk soort werk, met inheemse of traditionele volkeren. Sindsdien zijn zijn lokale instandhoudingswerk en projecten die ontwikkeling en instandhouding integreren, mislukt.

Ze hebben vermeden om langs deze lijnen betrokken te raken, inclusief gesprekken over de gezamenlijke richting van beschermde natuurgebieden en alternatieven voor duurzame ontwikkeling met inheemse volkeren. Voor een deel hebben ngo's zich door bi-multilaterale donoren onder druk gezet om armoedebestrijding op te nemen in hun instandhoudingsprogramma's, en sommigen hebben geprobeerd donoren te huisvesten met "herwerkte" taal in hun missieverklaringen; er is nog steeds een tendens onder grote NGO's om een ​​valse dichotomie te presenteren tussen armoedebestrijding en instandhouding en te zeggen dat ze niet bezig zijn met "sociaal welzijn". (xxviii)

Maar de opvattingen van de grote ngo's zijn niet monolithisch. Terwijl ze in de hoogste richtingen zijn, kunnen ze het werk op gemeenschapsniveau verlaten
als verstrooid en nutteloos, of zelfs in strijd met het doel van grootschalige instandhouding van de biodiversiteit, is de veldoperator vaak heel anders.

WWF heeft bijvoorbeeld een krachtig gemeenschapsbosbouwprogramma dat werkt aan bosbeheer, certificering en marketing in Mexico, de Guatemalteekse Petén, de Hondurese, Mosquitia, de Atlantische kust van Nicaragua en Madre de Dios. In Peru. TNC stelt dat de kantoren samenwerken met gemeenschappen in Mexico, Guatemala en inheemse volkeren in de Braziliaanse regio. Conservation International is op dit niveau minder betrokken, al heeft het wel een klein project met biologische koffieboeren in Chiapas, Mexico. WCS 'Zuid-Amerika is misschien wel het beste voorbeeld, met een sterke focus, op behoud op gemeenschapsniveau, mede-aansturing van beschermde natuurgebieden met inheemse volkeren en duurzame gemeenschapsontwikkeling. Zijn werk met de Izoceño Guaraní in de grotere Chaco-regio van Bolivia is een voorbeeld van wederzijds respect bij het gezamenlijk beheer van een beschermd natuurgebied.

Integendeel, het hoofd van de organisatie vertrouwt de vertegenwoordigers van de centrale kantoren, terwijl het in het veld niet met abstracties te maken heeft. Sommigen hebben begrepen dat als ze niet met de lokale bevolking samenwerken, ze alleen dingen van weinig waarde zullen bereiken. Sommigen hebben opgemerkt dat ze hun werk met de gemeenschap als hun focus zien en weinig aandacht besteden aan de mondiale uitspraken van de hoofden van hun organisaties.

Helaas krijgen deze voortdurende veldinspanningen zeer weinig hulp van hun hoofdkwartier, en de trend naar hogere niveaus van voortdurende steun voor inheemse volkeren lijkt in de toekomst moeilijk te verwezenlijken.

In het bijzonder zien we een flagrante kloof tussen de Amerikaanse tak van WWF en de internationale vestigingen in Zwitserland. Hoewel WWF van de Verenigde Staten de associatie met inheemse en traditionele volkeren met betrekking tot ecoregionale instandhouding buiten beschouwing heeft gelaten, is dit niet gebeurd met de Europese bureaus. (Xxix)

Een vergelijking van het veldwerk van het Amerikaanse programma en de internationale takken van WWF zou een interessante vergelijking kunnen opleveren. Wat valt er te zeggen over het "toenemende aantal klachten over veldwerk" dat gerapporteerd wordt in het interne onderzoek van de Ford Foundation? Klachten tegen de activiteiten van de drie grootste NGO's op het gebied van natuurbehoud zijn onder meer afkomstig uit Mexico, Guatemala, Peru, Ecuador, Venezuela, Guyana, Suriname, Papoea, Nieuw-Guinea en het Congobekken. In een van de gevallen is Conservation International beschuldigd van het intimideren en opbouwen van onbeschofte relaties met lokale ngo's en inheemse organisaties in de Vilcabamba-regio in Peru. In een ander geval eindigde hun werk in het Laguna del Tigre-gebied van het Guatemalteekse Peten in een bittere strijd om hulpbronnen, met de lokale ngo die ze zelf hadden opgericht - en de woede van de lokale bevolking die het onderzoeksstation in brand stak. Conservation International . Toch is het weinig bekend of dit misbruik fouten of systematische praktijken zijn.

Er is geen onafhankelijke evaluatie van deze situaties uitgevoerd, en het is vaak moeilijk om onderscheid te maken tussen echte feiten en fictie. Maar in elk geval moet het onderzoek zich misschien niet zozeer richten op de specifieke mislukkingen in het veld, als wel op de neiging van de grote ngo's om helemaal niet meer met inheemse en traditionele volkeren te werken.

Wat is het hoofd van dit alles?

Kort daarna zorgde de Ford Foundation in "A Critical Study on New Conservation Issues in the South" ervoor dat twee leden - Yolanda Kakabadse, voorzitter van de IUCN, en Kathryn Fuller, president, van WWF - de onderzoeksresultaten zouden herzien. Ze concludeerden dat de studies van de twee consultants (die nog niemand bij Ford had gezien) niet openbaar mochten worden gemaakt - en in feite niet eens officieel zouden worden overgenomen door de Ford Foundation. Ze adviseerden om de studies te bewaren, en dit gebeurde ook echt, althans voor een tijdje. Ambtenaren van de Ford Foundation ontvingen de mondelinge informatie in een sessie en zagen uiteindelijk de volledige studies, maar deze werken werden nooit openbaar gemaakt. Het nieuws over deze reeks gebeurtenissen sijpelde snel naar buiten en verspreidde zich op grote schaal onder stichtingen en ngo's, waardoor de verwachting ontstond dat het grootste deel van het publiek kleine dingen had gehoord.


Op 20 april 2004 organiseerde WWF een bijeenkomst van vertegenwoordigers van de grote internationale NGO's - WWF, TNC, CI, IUCN en WCS - om een ​​volledige dagsessie te houden met vertegenwoordigers van de Ford Foundation die het probleem aan de orde hadden gesteld. , in South Dakota, tien maanden eerder. De drie presidenten - Kathryn Fuller van WWF, Peter Seligman van Conservation International en Steven McCormick van TNC - kwamen langs, samen met enkele van hun technici. Er was geen inheemse vertegenwoordiger aanwezig. (13)

Afgezien van een onschadelijk samenvattend document, is er niets publiekelijk gedeeld van deze bijeenkomst, maar het is mogelijk om enkele conclusies te trekken door de indrukken en dingen die zijn gelekt te verzamelen.

Aanvankelijk waren de ngo-ers enigszins defensief, maar bovenal voelden ze dat ze niets hadden om zich voor te verontschuldigen of zich voor te schamen. Vertegenwoordigers van de Ford Foundation brachten de ochtend door met het uiten van hun zorgen, en ngo's antwoordden dat hun primaire missie het behoud was, niet het "verlichten" van armoede, wat velen gelijkstellen aan het samenwerken met lokale gemeenschappen.

Ze ontkenden dat ze ongevoelig waren voor inheemse of traditionele volkeren en noemden hun programma's "een bouwcapaciteit". Maar voor het grootste deel hebben NGO's hier weinig ervaring mee. Een vertegenwoordiger van de stichting wees op het feit dat multinationale bedrijven natuurlijke hulpbronnen winnen en ecosystemen vernietigen in kwetsbare regenwoudgebieden, en dat inheemse volkeren tegen deze bedrijven vechten terwijl natuurbeschermers daar in stilte werkten in het licht van wat er gebeurde. Deze Ford-vertegenwoordiger wees erop dat het gebruikelijk was dat ngo's naast deze bedrijven stonden, vooral als ze bedrijfssponsors waren van ngo's. De ngo's antwoordden dat ze niet wilden ingrijpen omdat ze apolitiek wilden blijven.

In elk geval, zeiden ze, waren deze zaken zaken die de nationale regeringen moesten afhandelen. In de middagsessie van deze bijeenkomst verdedigden de ngo's nogmaals hun werk en een van de functionarissen van een van deze milieu-ngo's zei nogal geïrriteerd letterlijk: "Wie denk je dat je bent om ons te ondervragen? Misschien moet je jezelf eens onderzoeken?" Zoals een andere deelnemer die zei dat dit voor sommige ngo's een reis was, waarbij de mensen werden beschuldigd van het luisteren naar de activistische ngo's en de feiten niet direct begrepen. Over het algemeen waren ze agressief binnen de grenzen van beleefdheid. Ze wilden niet 'te hard bijten in de handen van degenen die ze voedden', aldus een deelnemer, hoewel de hand van de stichting kleiner is geworden in vergelijking met de nieuwere en meer. grote handen die zijn verschenen.

Uiteindelijk werd besloten dat er enkele studies naar de situatie in het veld moesten worden gedaan. De details van welke locaties zouden worden gekozen, wie ze zou doen, hoe ze zouden worden uitgevoerd en onder welk toezicht zouden later worden uitgewerkt. In een andere ontmoeting die zou volgen, misschien met een grotere groep, waaronder enkele inheemse en traditionele vertegenwoordigers. Een paar deelnemers aan de kant van de stichting kwamen uit de bijeenkomst en zeiden dat ngo's "het gewoon niet toestaan. Ze snappen het niet." Sommigen zeiden dat ngo's de kwestie zien als een imagoprobleem, en niet als iets dat de kern van hun werk betreft.

In juni 2004, een jaar nadat het probleem voor het eerst aan de orde was gekomen in een gesprek na het eten, tijdens een bijeenkomst van de Biodiversity Advisory Group, bevonden ze zich in Minnesota, aan de oever van Superior Lake. Er volgden meer discussies tussen dezelfde vertegenwoordigers die het probleem in 2003 aan de orde hadden gesteld en nieuwe geïnteresseerden, maar de agenda van de conferentie omvatte andere kwesties en de discussie over NGO's voor natuurbehoud was gefragmenteerd en onduidelijk.

Wanneer een deelnemer het probleem aan de orde stelde, negeerde hij het zonder iets te definiëren of op te lossen. Het werd als een delicaat probleem ervaren in zeer onzekere en moeilijke tijden. Sommige acties die door inheemse groepen zijn ondernomen om de plunderingen van de winningsindustrieën te weerstaan, leken op de acties van terroristen.

De gevoeligheid van het probleem heeft geleid tot een weigering om verder te gaan met iets concreets. Bovendien hebben stichtingen zich recentelijk in de schijnwerpers gezet. Sommige stichtingen liggen onder vuur vanwege buitensporige uitgaven op hun hoogste managementniveau en trustees, voor het ondersteunen van partijdige politieke agenda's (en zelfs vermeende terroristische organisaties) en belangenconflicten. (Xxx) De Ford Foundation wordt met name onderzocht door een congrescommissie omdat een deel van haar geld naar groepen in het Nabije Oosten is gegaan, en ze blijft laag staan.

Grote NGO's voor natuurbehoud zijn op andere fronten onderzocht omdat ze overeenkomsten met inheemse volkeren verwaarlozen. In 2002 werd TNC aangevallen en ernstig ondervraagd in een reeks artikelen van de Washington Post die de twijfelachtige praktijken van het management van de organisatie aan het licht brachten. De groep wordt momenteel onderzocht door het Congres en ingegrepen door de IRS14. Dit heeft ertoe geleid dat collega's bij TNC naar beneden kijken en controverse (en de media) vermijden. Op dit moment wil niemand nieuwe wijzigingen voor openbare inspectie. Hoe kan het probleem dan eerlijk worden aangepakt zonder het proces in een show te veranderen?

De conclusie

De uitdagingen voor het behoud van de biodiversiteit in de wereld worden steeds moeilijker, vooral in de zuidelijke regio's. Ondoordringbare vreemde talen en culturen, politieke systemen, hebzucht en corruptie van hoge plaatsen komen samen met toenemende druk om de bevolking en ontwikkelingsbehoeften te vergroten, waardoor situaties ontstaan ​​die vaak onoverkomelijk lijken. Het veldwerk van de projecten is zwaar en wordt de ene dag gekenmerkt door vooruitgang en de volgende dag tegenslag. Fouten en belangenconflicten - en lange periodes van stagnatie lijken de regel te zijn.

Vaak is het moeilijk om te weten of iemand echt vooruitgang boekt of niet. Neem het geval van Chiapas, Mexico. Daar is Conservation International sterk aanwezig en in de lokale pers beschuldigd van het proberen onder druk te zetten van het Mexicaanse leger om boerenfamilies uit het Lacadon-woud te verdrijven, van bioprospectie voor internationale bedrijven, van het gebruik van vliegtuigen in de regio Bosque. steun van USAID en geef deze verkregen informatie aan de Amerikaanse en Mexicaanse regeringen.

Er zijn verschillende onderdelen van zo'n foto, zoals het feit dat Conservation International heeft bewezen zakelijke banden in de regio te hebben. Anderen - zoals Conservation International die het land kopen voor bioprospectie - lijken overdreven. De versies van de vluchten en de afbeeldingen die de plaats registreren, zijn meer aannemelijk, want hoewel dit in de meeste delen van de wereld acceptabel is, gebeurt hetzelfde niet in Chiapas waar een actieve guerrilla zich schuilhoudt en het Mexicaanse leger sterk aanwezig is. David Bray, een van de mensen die oorspronkelijk door de Ford Foundation was opgeroepen om de vermeende misstanden te onderzoeken, merkt op dat in deze regio "waarschijnlijk de grote politisering het moeilijk maakt voor een milieu dat geschikt is voor natuurbehoud en ontwikkeling in Mexico". (xxxi) Juist vanwege wat er in Chiapas gebeurt, is het moeilijk om van buitenaf te weten wat de rol is van Conservation International in het drama, of het positief of negatief is, of wat er werkelijk gebeurt.

Dit is allemaal niet gemakkelijk, maar een ding dat velen van ons, die in het veld hebben gewerkt, duidelijk lijkt, is dat als we enige vooruitgang willen boeken, samenwerking tussen lokale groepen en sectoren cruciaal is. Toch zijn sommigen van ons er vast van overtuigd dat natuurbehoud niet effectief kan zijn tenzij de bewoners van het te behouden gebied zich volledig inzetten. Dit is niet alleen een kwestie van sociale rechtvaardigheid, die in ieder geval een sterk onderdeel moet zijn van alle conserveringswerkzaamheden. Het is ook een kwestie van pragmatisme.

Inheemse volkeren leven in de meeste ecosystemen die natuurbeschermers zo graag willen behouden. Inheemse volkeren zijn vaak verantwoordelijk voor de relatief intacte staat van deze ecosystemen, en ze hebben ongetwijfeld de voorkeur boven de meer gebruikelijke alternatieven - zoals olie-exploitatie, boringen, veeteelt en grootschalige landbouw die grote delen van de jungle vernietigen op tropische breedtegraden. Gevormde partnerschappen en samenwerkingsverbanden tussen inheemse en traditionele volkeren en natuurbeschermers zijn geen gemakkelijke taak, maar het lijkt een van de meest effectieve manieren te zijn om deze gebieden te redden van snel toenemende vernietiging.

De samenwerking van grote natuurbeschermings-NGO's met elkaar, met andere kleinere NGO's, en inheemse en traditionele volkeren, heeft de afgelopen tien jaar veel ruimte verloren en is vaak vervangen door hevige concurrentie, voornamelijk om het beschikbare geld. In het verleden vertrouwden we ngo's toe met de enorme verantwoordelijkheid om de natuurlijke ecosystemen van de planeet te beschermen tegen de invasie van de moderne wereld, maar de meeste van de meest destructieve uitingen komen van de bedrijven en regeringen waarvan deze ngo's afhankelijker zijn geworden.

Een paar weken na de bijeenkomst in Minnesota, waar de mensen van de stichting de zaak overdroegen, ontving de Ford Foundation twee voorstellen die de discussie aanzienlijk konden bevorderen. De ene kwam van de IUCN en de andere van WWF. Degenen van de IUCN gaven aan dat ze een reeks bijeenkomsten konden faciliteren die culmineerden in de "open dialoogsessie" op het World Conservation Congress dat in november in Bangkok zal worden gehouden. Het WWF is van plan om hun bestaande werk in de gemeenschappen op het gebied van natuurlijke hulpbronnen te evalueren door middel van interviews gedurende een periode van drie maanden, en vervolgens nieuwe handleidingen en trainingsprogramma's voor hun personeel op te stellen. Ford onderhandelde al enkele maanden over dit voorstel met WWF en de laatste versie werd ingediend in augustus 2004. Het IUCN-voorstel werd ook in augustus ingediend. De twee werden tegelijkertijd geaccepteerd.

Voor degenen die zich zorgen maakten over de trend van de grote natuurbeschermings-ngo's, moedigde deze snelle reactie hen tegelijkertijd aan en ontmoedigde hen. Enerzijds toonde de Ford Foundation positieve belangstelling om haar onderzoek naar de relaties tussen inheemse en traditionele volkeren en de grote natuurbeschermings-ngo's voort te zetten, en daardoor natuurbehoud te verzoenen met menselijke gemeenschappen. Maar de stormloop van Ford's reactie was verontrustend, net als de richting die het insloeg. Er werden twee belangrijke concessies gedaan aan NGO's voor natuurbehoud, wat betekende dat dit zou worden beheerd door dezelfde mensen wier praktijken in twijfel werden getrokken. Er werd geen vergelijkbare concessie gegeven aan inheemse organisaties, of organisaties die nauw samenwerken met inheemse volkeren. Er werd algemeen beweerd dat geen enkele inheemse groep naar voren was gekomen of een voorstel had gedaan, maar de waarheid is dat ze nooit voor de discussies waren uitgenodigd.

Er waren ook zorgen over het feit dat de twee NGO's waarmee overeenkomsten werden gesloten, werden gesteund door leden van de Raad van Bestuur van de Ford Foundation, - Yolanda Kakabadse, president van IUCN, en Kathryn Fuller, president van WWF (Fuller is de president van de Raad van bestuur). Het is bij iedereen bekend (en aan mij bevestigd door de mensen die er nauw bij betrokken waren) dat deze twee mensen degenen waren die de eerste studies van de Ford Foundation verborgen hielden voor publieke kennis.Het IUCN-voorstel geeft aan dat Kakabadse degene zal zijn die "persoonlijk de dialoogsessies zal leiden". Het WWF-project beperkt zich tot studies van WWF-programma's en zal worden uitgevoerd door eigen personeel, voor intern gebruik van deze Conservation NGO.

Ik ben ervan overtuigd dat er meer studies nodig zijn over het veldwerk van natuurbeschermingsprogramma's. Ook dat de grote natuurbeschermings-NGO's hier niet toe in staat zijn, en wat er werkelijk in het veld gebeurt, is zeer weinig bekend. In het bijzonder weten we niet of de grootschalige, op wetenschap gebaseerde programma's die zo sterk aanspreken op Foundations, ook daadwerkelijk instandhoudingsdoelen bereiken. We hebben ook ervaring met kleine klussen en wat je in bepaalde omstandigheden niet moet doen. En we weten niet wat we eraan moeten doen - de claims van succes en de geruchten over misbruik - die de hele tijd uit het achterland komen.

Een reden voor het gebrek aan duidelijke informatie is de rol van de drie marketing- en fondsenwervingssystemen van deze drie grote ngo's, die hun rapporten en veldgegevens "bewaren". Ze overdrijven tactisch hun successen en bagatelliseren of erkennen hun twijfelachtige resultaten niet. Het voorstel dat de IUCN en WWF, of een van de grote natuurbeschermings-NGO's, nu nieuwe betrouwbare informatie moeten verstrekken om te evalueren, is om als oplossing voor te stellen om de vos als bewaker van het kippenhok te stellen.

Wat nu nodig is, is een reeks onafhankelijke, ongebonden, uitgebreide en redelijk objectieve evaluaties die de belangrijke vragen beantwoorden die NGO's niet geloofwaardig kunnen beantwoorden. Deze evaluaties moeten worden uitgevoerd door teams die niet of niet afhankelijk zijn van hiërarchische niveaus, die verschillende sectoren vertegenwoordigen - inheemse volkeren, lokale gemeenschappen, nationale ngo's, overheidsinstanties en donoren, inclusief bilaterale en multilaterale donoren (wiens invloed enorm is) en particuliere ondernemingen ( die erg stil zijn geweest in het licht van wat er gebeurt) - met de geest van het zoeken naar informatie en een brede visie op het panorama, en zonder de bestaande programma's te rechtvaardigen. Samen met deze steunpunten moeten we dit soort discussies voortzetten, op een open en openbare manier die kan leiden tot het opzetten van instandhoudingsprogramma's die gevoelig zijn voor de behoeften van de menselijke en mondiale biodiversiteit.

Referenties
1 "Inheemse en traditionele volkeren" is een meer inclusieve categorie dan simpelweg "inheemse volkeren". "Traditionele volkeren" omvatten niet-inheemse groepen die langdurig in woestijngebieden wonen, zoals rubbersnijders uit Brazilië en de Ladinos en Creolen die in de Caribische kuststreek van Midden-Amerika wonen.
De documentatie voor dit artikel wordt hier in twee vormen gepresenteerd: de voetnoten (gemarkeerd door sterretjes en dolken) die de belangrijkste punten uitwerken; en bronverwijzingen (gemarkeerd door exponenten) aan het einde van het artikel.
2 In 2000 bracht WWF International, in samenwerking met een groep genaamd Terralingua, een rapport uit met de titel 'The Indigenous and Traditional Peoples of the World and Conservation of the Ecoregion: An Integrated Approach to Conserving the World's Biological and Cultural Diversity (slotnoot 32) Dit was een poging om de vroegste beleidsverklaringen en ecoregionale outreach samen te brengen; het lijkt erop dat er nog steeds een klein gewicht in de WWF-programma's zat, en in ieder geval verliet de auteur, Gonzalo Oviedo, WWF International kort daarna.
3 Een WWF-document met de titel "Een gids voor sociaaleconomische beoordelingen voor het behoud van de ecoregio", gepubliceerd in 2000, spreekt over potentiële medewerkers en partners ("het partnerschap van" impliceert een meer intieme actieve relatie "). Hij wijst erop dat "om het verlies aan biodiversiteit om te keren naar de schaal die nodig is voor het behoud van de ecoregio, nauwe samenwerking of partnerschappen met de industrie, de particuliere sector, eigenaren van hulpbronnen en boeren, overheidsontwikkelingsinstanties, afdelingen van de zaken vereist kan zijn.
Buitenlandse, politieke fora en anderen '(WWF-US Conservation Ecoregional)
Strategies Unit 2000: 5-6). Inheemse volkeren zijn niet opgenomen als potentiële medewerkers of partners. Opvallend is ook het ontbreken van vermelding van lokale ngo's.
4 "Analyse van de financiën van alleen de drie grootste natuurbeschermingsorganisaties - de Amerikaanse tak van WWF, Conservation International en The Nature Conservancy - onthult dat hun gecombineerde inkomsten en uitgaven (dat wil zeggen hun investering in natuurbehoud) in 2002 $ 1,28 bedroegen. miljard en $ 804 miljoen. Dit financiële overzicht van deze ngo's in 2002 is geen uitzondering, maar maakt deel uit van een voortdurende trend, zichtbaar sinds het midden van de jaren 90, van toenemende winst, uitgaven en accumulatie van middelen. Deze drie ngo's samen stegen van $ 635 miljoen in 1998 tot $ 899 miljoen in 1999 tot $ 965 miljoen in 2000 "(eindnoot 12).
5 Hotspots "zijn" gebieden met uitzonderlijke concentraties van bedreigde soorten en met uitzonderlijk verlies van habitats "(eindnoot 14).
6 Een ecoregio is een "geografisch grote eenheid land of water die een grote verscheidenheid aan soorten, natuurlijke hulpbronnen en milieuomstandigheden samenbrengt"; de Global 200 "is gebaseerd op een analyse van fundamentele terrestrische en maritieme regio's van de aarde met bruikbare hulpbronnen met een oppervlakte van ongeveer 50 miljoen km2."
7 TNC heeft het concept van de ecoregio-preview overgenomen, ontwikkeld door WWF
8 Een voorbeeld: "Ecoregio's zijn de geschikte geografische eenheid om instandhoudingsdoelen vast te stellen; ze vertegenwoordigen een ambitieuze en visionaire schaal die nodig is voor het behoud van de biodiversiteit" (zie eindnoot 16).
9 CI: "De kenmerken van de hotspots zijn bepaald door" The Scientific Committees "(slotnoot 14). WWF:" Zij definiëren de ecoregio's door biologische omstandigheden en zijn als zodanig de logische eenheden om de biodiversiteit te behouden "(Slotnota 16) Sociale aspecten komen niet voor in de berekening van de ecoregio's van het WWF, behalve als 'bedreigingen', en zij hebben, na het stellen van prioriteiten op basis van biologische criteria, hun berekeningen voltooid
10 In de vroege jaren 90, WWF-USA. Hij ging op zoek naar geld van de Wereldbank en er waren hevige protesten van de internationale tak in Zwitserland. Deze en andere geschillen mondden uiteindelijk uit in een reeks kostbare rechtszaken en een eventuele breuk tussen de internationale en Amerikaanse kantoren. Het pandasymbool werd opgeëist door WWF International en vervolgens geautoriseerd om opnieuw te worden gebruikt door WWF USA.
11 Ongeveer 22 procent van het wereldwijde inkomen van WWF is afkomstig van regeringen en hulporganisaties (eindnoot 16)
12 Misschien wel het meest schandalige voorbeeld hiervan is met Conservation International in verband met het Critical Ecosystems Partnership Fund (CEPF), dat middelen heeft toegewezen aan het onderzoek van lokale NGO's. Volgens de programmarichtlijnen zou "slechts" 50 procent van het geld van de CEPF worden toegekend
rechtstreeks naar CI. Nog tijdens de eerste twee jaar van zijn Latijns-Amerikaanse programma kende CEPF $ 6.915.865 toe op een totaal van $ 8.919.221-78 procent voor CI. Andere groepen, sommige van hen CI-klonen, ontvingen in totaal $ 2.003.356, of 22 procent van het beschikbare geld. (CEPF jaarverslagen)
13 Verschillende mensen legden uit dat dit slechts een interne bijeenkomst was tussen donoren en ngo's om toekomstige acties te verduidelijken. Daarnaast gaven verschillende mensen aan dat ze geen idee hadden waarom de vertegenwoordigers van inheemse organisaties er niet konden zijn.
14 Internal Revenue Service. Federale Belastingdienst van het Ministerie van Financiën van de EU. (Opmerking van de vertaler)
Onder de vertegenwoordigde stichtingen waren Ford, MacArthur, Moriah, Wallace Global, C.S. Mott en Oak.

LAATSTE OPMERKINGEN
i Coordinadora de Organizaciones Indígenas de la Cuenca Amazónica (COICA), 1989, "Two Agendas for Amazonian Development", Cultural Survival Quarterly, Vol. 13, nr. 4, pp. 75-78.
ii Ibid.
iii Coördinator van inheemse organisaties van het Amazonebekken (COICA), 1990, "Eerste Amazone-topontmoeting tussen inheemse volkeren en milieuactivisten: verklaring van Iquitos."
iv International Union for the Conservation of Nature and World Wildlife Fund, 1996. "Principles and Guidelines on Indigenous and Traditional Peoples and Protected Area: Joint Policy Statement."
v Ibid.
vi Zie: McNeely, Jeff, 1989, "Protected Areas and Human Ecology: How National Parks Can Contribute to Sustaining Societies to the Twenty-first Century", in Conservation for the Twenty-first Century, eds. David Western en M. Pearl. Oxford University Press, Oxford; Western, David en Michael Wright (eds.), 1994, Natural Connections: Perspectives in Community-Based Conservation, Island Press, Washington, D.C.; Western, David en M. Pearl (red.), 1989, Conservation for the Twenty-first Century, Oxford University Press, Oxford; Wells, Michael en Katrina Brandon, 1992, People and Parks: Linking Protected Area Management with Local Communities, The World Bank, Washington, D.C.; en Barzetti, V. (ed.), 1993, Parks and Progress: Protected Areas and Economic Development in Latin America and the Caribbean, International Union for the Conservation of Nature, Washington, D.C.
vii McShane, Thomas O., 2003, "The Devil in the Detail of Biodiversity Conservation", Conservation Biology, Vol. 17, nr. 1, pp. 1-3.
viii Brandon, Katrina, Kent H. Redford en Steven E. Sanderson (eds.), 1998, Parks in Peril: People, Politics, and Protected Areas, The Nature Conservancy and Island Press, Washington, D.C.
ix Redford, Kent H., 1991, "The Ecologically Noble Savage", Cultural Survival Quarterly, Vol. 15, No. 1, pp. 46-48.
x Redford, Kent H. en Steven E. Sanderson, 2000, "Extracting Humans from Nature", Conservation Biology, Vol. 14, nr. 5, pp. 1362-64; en Redford, Kent H. en Allyn M. Stearman, 1993, "Forest-Dwelling Native Amazonians and the Conservation of Biodiversity: Interests in Common or in Collision?" Conservation Biology, deel 7, nr. 2, blz. 248-55.
xi Chapeski, Andrew, 1995, "Land, Landscape, Culturescape: Aboriginal Relationships to Land and the Co-Management of Natural Resources, Ottawa: Report to the Royal Commission on Aboriginal
Peoples ', blz. 46.
xii Khare, Arvind en David Barton Bray, 2004, "Study of Critical New Forest Conservation Issues in the Global South: Final Report Submitted to the Ford Foundation, June 2004."
xiii Ibid.
xiv Myers, Norman, Russell A.Mittermeier, Cristina G. Mittermeier, Gustavo A.B. da Fonseca, en Jennifer Kent, "Biodiversity Hotspots for Conservation Priorities", Nature, Vol. 403, 24 februari 2000, blz. 853-58.
xv Ibid.
xvi World Wildlife Fund, 2004, "How We Work: Using 200 Priority Ecoregions", Washington, D.C.
xvii Chicchón, Avecita, 2000, "Conservation Theory Meets Practice", Conservation Biology, Vol. 1368-69.
xviii Council, Simon, 2004, "Conservation Funding: Helping or Hurting Indigenous Peoples?" First Nations Development Institute en The Rainforest Foundation UK.
xix Stephens, Joe en David Ottaway, 2003, "Non-profit Land Bank Amasses Billions", Washington Post, 4 mei.
xx Wereld Natuur Fonds, 2004, "WWF and Aid Agencies", Washington, D.C.
xxi McShane, op. cit. noot 7.
xxii Chiccon, op. noot 17.
xxiii Stephens en Ottaway, op. noot 19.
xxiv Stevens, Stan (ed.), 1997, Behoud door culturele overleving: inheemse volkeren en beschermde gebieden, Island Press, Washington, D.C.; Nietschmann, Bernard, 1997, 'Protecting Indigenous Coral Reefs and Sea Territories, Miskito Coast, RAAN, Nicaragua', in Stan Stevens (ed.), Conservation Through Cultural Survival: Indigenous Peoples and Protected Areas, Island Press, Washington, DC, pp. . 193-224; Gray, Andrew, Alejandro Parellada en H. Newing (eds.), 1998, From Principles to Practice: Indigenous Peoples and Biodiversity Conservation in Latin America, Document 87, Forest Peoples Program, the Interethnic Association for the
Ontwikkeling van het Peruaanse Amazonegebied en de Internationale Werkgroep voor Inheemse Aangelegenheden, Kopenhagen; Schwartzman, Stephan, Adriana Moreira en Daniel Nepstad, 2000, "Rethinking Tropical Forest Conservation: Perils in Parks", Conservation Biology. Vol.1351-57; MacKay, Fergus en Emily Caruso, 2004, "Inheemse landen of nationale parken?" Cultural Survival Quarterly, Vol.28, Issue 1, pp. 14-16; Colchester, Marcus, 2000, "Self-Determination or Environmental Determinism for Indigenous Peoples in Tropical Forest Conservation", Conservation Biology, Vol. 1365-67; Carino, Joji, 2004, "Indigenous Voices at the Table: Restoring Local Decision-Making on Protected Areas", Cultural Survival Quarterly, Vol. 28, Issue I, pp. 23-27; LaRose, Jean, 2004, "In Guyana vechten inheemse volkeren om zich bij natuurbehoud te voegen", Cultural Survival Quarterly, Vol. 34-37; Newing, Helen en Lissie Wahl, 2004, "Benefiting Local Populations?" Cultural Survival Quarterly, deel 38-42; en Western and Pearl, op. noot 6. xxv Brandon, Katrina, Kent H. Sanderson, 1998, "Introduction", in Parks in Peril: People, Politics, and Protected Areas, The Nature Conservancy and Island Press, Washington, D.C., pp. 1-23; Redford, Kent H., en Steven E. Sanderson, 2000, "Extracting Humans From Nature", Conservation Biology, deel 1362-64; Terborgh, John, 2000, "The Fate of Tropical Forests: A Matter of Stewardship," Conservation Biology, Vol. 1358-61.
xxvi Schwartzman et al., op. noot 24.
xxvii Wereld Natuur Fonds, 2000, "A Guide to Socioeconomic Assessments for Ecoregion Conservation", Ecoregional Conservation Strategies Unit, Washington, D.C.; Wereld Natuur Fonds, 2004, "Communities and Large-Scale Conservation- Challenges and Opportunities", achtergrondnota voor discussie (ontwerp); Carr, Archi, 2004, "Utopian Bubbles: What Are Central America’s Parks For?" Wild Earth, lente / zomer, blz. 34-39; en op. toelichting 16 en 20.
xxviii Carr, ibid.
xxix Wereld Natuur Fonds, 2003, "Beschermde gebieden", Gland, Zwitserland.
xxx Dowie, Mark, 2002, American Foundations: An Investigative History, MIT Press, Cambridge, Massachusetts.
xxxi Bray, David Barton, 2004, Persoonlijke communicatie. 32. Oviedo, Gonzalo en Luisa Maffi, 2000, Inheemse en traditionele volkeren van de wereld en ecoregionaal behoud: een geïntegreerde benadering voor het behoud van de biologische en culturele diversiteit van de wereld, WWF International en Terralingua, Gland, Zwitserland.

Uittreksel uit uitgave november / december 2004 van het tijdschrift WORLDWATCH
www.worldwatch.org
Vertaling: Communicatie en systemen van COICA


Video: Deskundigenbijeenkomst evaluatie Natuurpact en Voortgangsrapportage Natuur (Mei 2022).